Methodology    •    WP 1    •    WP 2    •    WP 3    •    WP 4    •    WP 5   •    WP 6

Communication and stakeholder interactions



Project Leader: Ronald Hutjes, WUR-Alterra



Visie op Maatschappelijke Relevantie ME1-3

Bij vragen ten aanzien van de beleidsrelevantie c.q. maatschappelijke relevantie van de mitigatieprojecten ME1, ME2 en ME3 is het van belang onderscheid te maken tussen korte termijn en lange termijn relevantie. Voor daar verder op in te gaan, stellen we vast, dat uit de aard van de BSIK-subsidieregeling — dat beoogt een kennisinvesteringssubsidie die de concurrentiepositie van Nederland verbetert, te zijn — kennisontwikkeling met een lange termijn perspectief voorop staat. Ook een kennisontwikkeling die niet getrokken wordt door actuele beleidsvragen, maar juist richtinggevend en vernieuwend kan zijn voor toekomstig beleid.


Zeer illustratief voor de rol die de wetenschap van de koolstofcyclus (emissies en voorraden) kan hebben, is de discussie rondom putten (sinks) bij de totstandkoming van het Kyoto-protocol. Zonder inzichten in de opnamecapaciteit van bossen, waren er nooit paragrafen 3.3. en 3.4 gekomen. Eerst was er de wetenschappelijk kennis, daarna de implementatie rondom het protocol. Nadat de discussie met name in SBSTA was gevoerd over de juistheid van voorgestelde rapportageverplichtingen, en het IPCC haar "Good Practice Guidance Report " had uitgebracht, is vanuit wetenschappelijke hoek gewezen op onafhankelijke (lees: minder boekhoudkundige) verificaties en "full carbon accounting". Het is opvallend en ironisch, dat juist de Verenigde Staten tijdens COP VI in Den Haag een prototype full carbon accounting voor de biosfeer bepleitten. Tijdens COP X in Buenos Aires en in de maanden daarvoor stond full carbon accounting als alternatief voor de tweede committment periode in de wandelgangen op de agenda. Ook dit is een voorbeeld van hoe wetenschappelijke inzichten, zonder directe beleids- (lees: rapportage-) verplichtingen wel degelijk eerst komen, en daarna in het beleid met enige schroom voor toepassing worden bediscussieerd.


Met betrekking tot mitigatie, broeikasgasemissiereducties, is het zinvol het onderscheid tussen korte en lange termijn te leggen bij de eerste commitment periode (CP1) van het Kyoto-protocol (KP). Na de ratificatie door Rusland, is het KP onlangs bindend geworden voor alle ondertekenende partijen, waardoor het belang van het bereiken van de reductieverplichtingen en van het op orde hebben van de daarbijbehorende rapportageverplichtingen aanmerkelijk is toegenomen. De rapportagesystematiek voor CP1 ligt al grotendeels vast, al blijven zinvolle verbeteringen tot het eind toe mogelijk (zolang ze met terugwerkende kracht tot 1990 zijn door te voeren). De korte termijn relevantie van de mitigatieprojecten ligt vooral in het aanleveren van getallen over emissies die bestaande rapportageverplichtingen kunnen ondersteunen, en ideeënvorming over eenvoudige maatregelen die nog vóór CP1 ingevoerd kunnen worden. Ook in de eerste jaren van de voorziene projecten is dergelijke doorstroming van ontwikkelde kennis al zeer goed mogelijk. Dat landgebonden emissies ook in Nederland relevant zijn, is aangetoond in de jongste rapportage waarin in plaats van een tot nog toe gerapporteerde put (sink) de Nederlandse bossen en bodems een (waarschijnlijk toenemende) bron (source) blijken te zijn. Deze bijstelling van ~5 Mton is gelijk aan > 50 % van de binnenlandse verplichtingen. Ondanks deze constateringen, is het belang van de mitigatieprojecten voor deze termijn, zoals de maatschappelijke review stelt, wellicht inderdaad beperkt.


Op lange termijn, is de relevantie van de mitigatieprojecten ME1, ME2 en ME3 veel groter. Na CP1, liggen veel grotere reductieverplichtingen in het verschiet, richting 20–30 % voor 2020. Dit betekent, dat 'alle zeilen bijgezet' moeten worden om deze te halen, en dat ook landgebonden emissies nadrukkelijk een plaats in mitigatiebeleid moeten krijgen. Met het toenemende (ook financiële) belang van emissiereducties, is het tevens zaak te beschikken over verificatiemethoden die onafhankelijk zijn van door partijen zelf aangeleverde gegevens.


De mitigatieprojecten ME1, ME2 en ME3 van BSIK-KvR leveren een bijdrage op lange termijn door bij te dragen aan kennisontwikkeling op het gebied van landgebonden emissies en putten (sinks), en op het gebied van full carbon accounting en emissieverificatie. Niet onbelangrijk is, dat bij het als één van de eersten ontwikkelen van dergelijke kennis, de voorstellen van andere partijen beter beoordeeld kunnen worden op hun wetenschappelijke houdbaarheid en verdiensten, en achterliggende politieke belangen beter herkend kunnen worden.


Meer specifiek is de voorziene output te structureren langs vijf 'productgroepen':

  1. 1.Onderbouwing voor ontwikkeling van toekomstige rapportage systematiek. Voor ME1 en ME3 geldt, dat de keuze voor een Tier-3-benadering richtinggevend is om de aansluiting bij discussies in IPCC en SBSTA te houden. Of Nederland al dan niet een Tier-3-benadering zou invoeren, is minder relevant: het genereert de kennis die zou kunnen leiden tot zo'n benadering in volgende committment-perioden

  2. 2.Ontwikkeling van een full-carbon accounting/multi-gasmonitoringsysteem (ME1, ME2 en ME3). Eén van de redenen van de complexiteit van KP-regelgeving, is gelegen in het feit, dat niet alle emissies gerapporteerd hoeven te worden, maar alleen die waarvoor reductieverplichtingen zijn aangegaan. Daardoor staat de integriteit van het systeem steeds onder druk, m.n. door 'leakage'-effecten. Enerzijds kunnen gerealiseerde reducties tegelijkertijd elders ongedaan gemaakt worden. Anderzijds kan een reductie voor één gas afgewenteld worden op een toename van een ander gas (bijv. CO2 vs. CH4 uit veengebieden)

  3. 3.Ontwikkeling van onafhankelijke verificatie methoden (m.n. ME2). Emissiereducties moeten leiden tot verminderde toename van broeikasgasconcentraties in de atmosfeer. Dit opent de mogelijkheid tot onafhankelijke controle op gerapporteerde emissiereducties: uit atmosferische concentraties is het in principe mogelijk (voor grotere gebieden) de emissies terug te rekenen. In combinatie met een full accounting system, zijn deze vervolgens uit te splitsen naar de verschillende bronnen en putten;

  1. 4.Kennisontwikkeling met betrekking tot de rol van biogeochemische processen in het klimaatsysteem (ME1, ME2 en ME3), een nog veelal relatief onderbelicht aspect in klimaatstudies (zo ook in het CS-thema). Voor scenario-ontwikkeling van toekomstige broeikasgasconcentraties in de atmosfeer moeten naast antropogene emissies ook (veranderingen in) natuurlijke uitstoot en opnames meegenomen worden. Proceskennis van biogeochemische cycli is daarbij cruciaal

  2. 5.Identificatie van opties voor emissiereducties voor het landelijk gebied, inclusief daarmee samenhangende potentiële herinrichtingsrichtingen. Vanuit de reeds gesignaleerde proceskennis zijn potentiële mitigatieopties aan te geven, waarvan de implementatieaspecten elders aandacht krijgen. Binnen het ME-thema, wordt dit gerealiseerd door links tussen m.n. ME1 en ME5/ME6: in ME1 en ME6 worden emissies uit veenweidegebieden bestudeerd in relatie tot (water-)beheer; in ME5 worden participatieve methoden ontwikkeld om emissiereductiegericht beheer in te brengen in gebiedsreconstructies van de Nederlandse veenweidegebieden. ME3 en ME1 leveren relevante informatie voor potentiële biomassaproductieschattingen te gebruiken in ME4. Op vergelijkbare manier, wordt in ME1, ME2 en ME3 informatie aangeleverd voor projecten met mitigatiecomponenten uit het Integratie-thema.


De maatschappelijke relevantie van de mitigatieprojecten ligt breder dan zowel de korte als lange termijn beleidsondersteuning. Kennis van de rol van het landoppervlak in de koolstof- en stikstofcyclus draagt bij aan een beter inzicht in de kwetsbaarheid van systeem aarde en de gevolgen van global change voor de biosferische uitstoot en opname. Nederlandse onderzoekers spelen in dit onderzoek een vooraanstaande rol, en de in de mitigatieprojecten ontwikkelde kennis zal ongetwijfeld daardoor de positie van deze onderzoeksgroepen verder versterken en uitbouwen. In deze zin, leveren de projecten maatschappelijk relevant onderzoek op het gebied van mondiale kwetsbaarheid van het landoppervlak (Siberie, Amazone etc.) voor verstoringen. Het BSIK-programma doet dan waarvoor het bedoelt is: het versterken van de Nederlandse kennisinfrastructuur.




Visie op Communicatie en Stakeholder involvement in projectvoorstellen ME1-3

Alle drie de projectvoorstellen ME1, ME2 en ME3 geven reeds vrij uitvoerig aan, hoe zij de interactie met wetenschappelijke en maatschappelijke stakeholders willen vormgeven. Zo heeft ME3 reeds een specifiek stakeholderwerkpakket (ME3-WP6); is in ME2 communicatie een deeltaak van het integratiewerkpakket (ME2-WP5c); en hebben alledrie de projecten aangegeven, hoe ze stakeholders ook in een op te richten 'advisory board' een stem geven. Daarnaast zijn bijvoorbeeld in ME1 reeds specifieke taken gespecificeerd (op Post-Doc-niveau) die zorg dragen voor landsdekkende modellen en databases, waardoor de bruikbaarheid in toekomstige RO gefaciliteerd wordt. Ook zijn in de tabellen 11 van de drie projecten reeds concrete interacties met andere projecten binnen en buiten BSIK-KvR geïdentificeerd.


Om dit soort communicatieactiviteiten te versterken, zullen ME1, ME2 en ME3 elk de taken/deliverables die bij al deze zaken horen, bijeenbrengen en integreren in één werkpakket. Deze drie werkpakketten zullen volgens een gemeenschappelijke structuur ingericht worden en voorzien ook nadrukkelijk in gemeenschappelijke activiteiten.


Dit werkpakket heeft tot doel effectieve informatieuitwisselingen te bevorderen tussen de projectpartners en:


  1. 1.maatschappelijke belanghebbenden, zijnde (semi-)overheidsinstellingen op (inter-)nationaal, provinciaal en gemeentelijk niveau, NGO's, terreinbeheerders:

  2. instanties die zich bezighouden met alle aspecten van BKG–emissieregistratie (CCDM, NER, NEA en NIR*)

  3. instanties die zich bezighouden met beleidsontwikkeling, en -implementatie, en met onderhandelingen rond mitigatie, met name maar niet exclusief uit het landelijk gebied

  4. educatieve organisaties uit middelbaar en hoger onderwijs


  5. 2.wetenschappelijk belanghebbenden binnen en buiten BSIK–KvR:

  6. projecten binnen het ME-thema (tussen ME1, ME2 en ME3 onderling, maar ook naar ME4, ME5 en ME6)

  7. projecten binnen BSIK–KvR met name uit thema klimaatsysteem (bijv. CS2, CS4) en Integratie (IC2, IC3 en IC4), maar ook Adaptatie (A6) en Communicatie

  8. internationale wetenschap in en buiten Europa, partners in CarboEurope, maar ook afnemers in bijv. IPCC.


Die informatieuitwisseling zal plaatsvinden tijdens doelgroepspecifieke fora (overleggen, workshops, congressen, lesprogramma's), ondersteund door 'tailor-made' presentatie/disseminatiemateriaal (waar nodig), en gebaseerd op/gekoppeld aan specifieke taken/deliverables uit de respectievelijke projecten.


Een representant uit elk bovengenoemde zes stakeholdergroepen krijgt zitting in het reeds geplande 'Advisory Board', dat gevraagd en ongevraagd adviezen aan het projectmanagement kan uitbrengen.




*) CCDM = Coördinatie Commissie Doelgroep Monitoring: verantwoordelijk voor beleidsaansturing emissie instanties; NER = Nationale Emissie Registratie (MNP in NL): verantwoordelijk voor de jaarlijkse emissie rapportages aan UNFCCC; NEA = Nationale Emissie Autoriteit: verantwoordelijk voor de handel in emissierechten; NIR = National Inventory Registration (NOVEM in Nederland): verantwoordelijk voor protocol ontwikkeling, QA/QC en archivering.

A complete PDF-version of the project proposal (excl. Work Package Six) can be downloaded here.